Wetgeving prostitutie

Legale prostituees minstens 21 jaar

15 april 2010
Prostituees moeten minstens 21 jaar zijn. Dat voorstel doet minister Hirsch Ballin (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Justitie) aan de Tweede Kamer in een wijziging op het wetsvoorstel dat al bij de Kamer ligt over het reguleren van prostitutie en seksbedrijven.
lees verder

Wetsvoorstel regulering prostitutie en seksbedrijven

14 april 2010
De nota's bij het wetsvoorstel 'Regels betreffende de regulering van prostitutie en betreffende het bestrijden van misstanden in de seksbranche'.
Nota's bij wetsvoorstel

Prostitutieleeftijd

23 juni 2009
PVV-Kamerlid Fleur Agema heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend om de prostitutieleeftijd te verhogen naar 21 jaar. Dit omdat loverboys vooral meisjes tot 18 jaar ronselen om deze vlak na hun 18e verjaardag de prostitutie in te drijven. Door de prostitutieleeftijd te verhogen naar 21 jaar zullen loverboys hun interesse goeddeels verliezen in meisjes tussen de 15 en 18 jaar.

Agema: "Loverboypraktijken zijn weerzinwekkend. Meisjes worden uitgebuit, mishandeld en verkracht en omdat prostitutie in ons land vanaf 18 jaar volkomen legaal is, valt er in de praktijk weinig tegen die schurken te beginnen.

Met de verhoging van de prostitutieleeftijd voorkomen we niet dat meisjes in het illegale circuit terechtkomen. Daarvoor moet de opsporing sterk verbeteren! Wel zorgen we er voor dat meisjes in plaats van tot 18 jaar tot 21 jaar vrijwillig dan wel onvrijwillig uit de prostitutie gehaald kunnen worden."

Decentralisatie van het prostitutiebeleid

In oktober 2000 is het algemeen bordeelverbod geschrapt uit het Wetboek van Strafrecht. De wetswijziging is vooral bedoeld om de vrijwillige prostitutie beter te kunnen reguleren om misstanden (o.a. jeugdprostitutie en mensenhandel) beter te kunnen aanpakken.

De wetswijziging betekent decentralisatie van het prostitutiebeleid.
Er zijn echter ook nadelen verbonden aan deze wetswijziging (Goderie, 2002):

  • Door decentralisatie naar lokaal niveau zijn er aanwijsbare verschillen ontstaan per locatie, tussen gemeenten, regio’s en grote en kleine gemeenten. De verschillen zitten in het verlenen van vergunningen, handhaving en uitvoering van het beleid.
  • Er is veel variatie zichtbaar in het handhavingsbeleid tussen regio’s. Als gevolg hiervan is te zien dat bijvoorbeeld in een stad waar het vergunningenbeleid geregeld is de politie nauwelijks meer misstanden tegenkomt. Daarentegen verplaatsen de misstanden zich naar dorpen eromheen waar het vergunningenbeleid niet geregeld is.
  • Binnen de politieregio’s zijn er aanzienlijke verschillen in de handhavingpraktijken, bijvoorbeeld vanwege prioriteitstelling.

Ondanks dat prostitutie een moeilijk te reguleren sector is blijven de doelstellingen van de wetswijziging rondom de opheffing van het bordeelverbod overeind. Het blijft echter van belang om een verhouding te ontwikkelen tussen het landelijke en lokale handhavingsbeleid om de nadelen van decentralisatie aan te pakken. Sommige problemen dienen lokaal aangepakt te worden, andere landelijk.

Volgens het Informatiepunt is een combinatie van twee invalshoeken (beleidskaders) het meest adequaat om het probleem goed aan te pakken: het overheidsbeleid inzake kindermishandeling en het overheidsbeleid inzake mensenhandel. Ook het jeugdbeleid kan bijdragen aan de aanpak van het probleem. Om misstanden zoals jeugdprostitutie effectief te kunnen bestrijden is een betere samenhang, afstemming, coördinatie en uitvoering tussen het landelijke en lokale handhavingsbeleid en tussen de betrokken ministeries en instellingen noodzakelijk.

omhoog